Er kan toch niks gebeuren?

Vorige week heeft het op meerdere dagen flink huisgehouden in Nederland. De waarschuwingen code geel en code oranje waren zo ongeveer aan de orde van de dag. Enorme plensbuien met hagel, windstoten van over de 100 kilometer per uur en windhozen hebben voor heel wat wateroverlast, omgewaaide bomen en afgewaaide dakpannen gezorgd. Er zou zelfs een heuse mini-tornado zijn waargenomen, een zeldzaamheid in ons land. Al deze weersverschijnselen gingen gepaard met zware onweersbuien die vanuit België en Duitsland onze grens overstaken en op een bepaald moment zelfs voor 60.000 bliksemontladingen zorgden.

Hoewel de wind de ergste vernielingen heeft aangericht en veel mensen dit aspect ongetwijfeld het meest verraderlijk zullen vinden aan een fikse onweersbui, zit ik bij de eerste de beste verre donderslag al te bibberen en schiet mijn hartslag meteen omhoog naar ongezonde waarden. Overdag begin ik dan rusteloos door het huis te lopen, ramen te sluiten, voortdurend Buienradar checkend: Waar is de bui? Hoe groot is de vlek? Welke kleur heeft de vlek: blauw, rood (nee!), zwart (NEE!)? Trekt hij langs, over of wordt het een schampschot? Hoeveel plusjes (bliksems) zie ik in de vlek?

Gelijktijdig probeer ik door het raam zo min mogelijk bliksems waar te nemen zodat ik mijn neurotische tic bij onweer, het tellen van de secondes tussen een bliksem en de donder – vier keer eenentwintig is één kilometer, acht keer is twee kilometer, waarbij eindeloos doortellen zonder iets te horen het beste is – met bijbehorend plotseling begrip van de verhouding tussen tijd en afstand voor een rekenwonder zoals ik, niet hoef uit te voeren. Want dat scheelt stress; misschien wel 10 hartslagen minder per minuut.

En terwijl de bui in alle hevigheid recht over mijn huis trekt en ik hem op Buienradar met al mijn kracht probeer weg te kijken, gaan de dwergpapegaaitjes te midden van al het geflits en kabaal gewoon slapen. Alsof er niks aan de hand is! Hetzelfde geldt voor mijn man, ’s nachts. Waar ík meteen klaarwakker ben en met torenhoge hartslag rechtop in bed zit, het raam sluit, vervolgens ‘veilig’ onder het dekbed kruip om daar een halve minuut later alweer snakkend naar frisse lucht en druipend van het zweet onder vandaan te komen (waarom is het altijd warm als het onweert?!) en ondertussen geen enkele bliksem probeer te zien, wat ’s nachts een stuk moeilijker blijkt dan overdag, verroert mijn man geen vin en slaapt rustig door! Alsof er niks aan de hand is!

Mensen begrijpen het nooit als ik zeg dat ik bang ben voor onweer. Van kinderen wordt dat nog wel geaccepteerd, maar blijkbaar hoor je dat als volwassene niet meer eng te vinden. Want ‘er kan toch niks gebeuren?’ Tot mijn dertiende dacht ik dat ook en aanvankelijk was ik ook niet echt bang. Achter het raam naar het onweer kijken zoals mijn vader dat vroeger graag deed, heb ik nooit gedaan en de donder zou ook best iets zachter mogen klinken, maar van angst was geen sprake. Totdat ik bij een vriendinnetje een keer een documentaire zag waarin iemand door de bliksem getroffen werd. Ik moet toegeven, die man sloeg ook alle waarschuwingen in de wind en deed juist precies de dingen die je níet moet doen tijdens een onweersbui, zoals naar buiten gaan en onder een boom gaan staan. En hoewel ik zelf nooit zo stom zou zijn en als het even kan helemaal niet naar buiten ga bij onweer (ik kom nog liever te laat op mijn werk) besefte ik toen dat onweer wel degelijk gevaarlijk kan zijn.

In de loop der tijd is mijn gevoel op dit punt alleen maar bevestigd. Door nieuwsberichten over woningbranden na een blikseminslag (zeer regelmatig), rare verhalen over bliksem ‘in huis’, waar ik het fijne liever niet van weet (terwijl ik vrijwel alle andere onderwerpen helemaal tot op de bodem uitpluis) en andere feiten en fictie over het weersverschijnsel. Volgens mijn man hoef ik in huis nergens bang voor te zijn. ‘In huis ben je veilig, want dit is grotendeels van beton en beton geleidt niet. Bovendien hebben we een snel reagerende aardlekschakelaar.’ Ik wéét het, maar toch blijf ik bang. Dat programma van 22 jaar geleden heeft een diepe indruk op me achter gelaten. Kom daar maar eens vanaf.

De enige plek waar ik me tijdens onweer echt veilig voel, is in een auto. Bij voorkeur een rijdende, maar een stilstaande is ook goed. Het enige wat me er tot nu toe van weerhouden heeft om ’s nachts met mijn kussen en dekbed naar de oprit te verkassen, is, naast het gegeven dat een auto over het algemeen niet zo comfortabel slaapt, het feit dat ik er ongetwijfeld niet in zal slagen om in de vijfglazige ruimte geen enkele bliksem te zien. Er zijn immers geen gordijnen. Mijn neurotische tic zal dus heftig opspelen en met een donderslag binnen de vier tellen, raak ik zelfs in de kooi van Faraday enorm in paniek. Gevolg: stress level en hartslag sky high.

Nee, dan doorleef ik de bui liever dorstig zwetend onder mijn veilige deken in mijn comfortabele bed met de gordijnen dicht, terwijl ik met bonkend hart vurig de minuten aftel die de vlek op Buienradar nodig lijkt te hebben om weg te trekken.

Een gedachte over “Er kan toch niks gebeuren?

Plaats een reactie